Evenredigheid (Proportion)

Straf mag stijgen tot zij overeenkomt met de volledige schade die een daad werkelijk veroorzaakt — gevolgen inbegrepen — en niet verder. De maatstaf is de aangerichte schade, niet het weggenomen ding: het plafond van een dief is het verlies van alles wat hij bezit, want door te nemen wat niet van hem was, verbeurt hij de bescherming van wat wel van hem is. Wanneer diefstal diep genoeg gaat om levens te kosten — middelen weggehaald tot mensen sterven — is de schade de dood, en wordt de dood het evenredige plafond. Een daad die niemand schaadt, draagt in het geheel geen straf: woorden die slechts beledigen, nemen geen lichaam, eigendom of vrijheid weg, dus er is geen dood voor het beledigen van een profeet, een god of een heerser. Evenredigheid is een plafond, geen plicht: het slachtoffer mag altijd minder nemen — vergeven, of ophouden — maar niemand mag straffen voorbij de aangerichte schade. Dat te overschrijden is wraak, en wie escaleert wordt een aanvaller met een eigen slachtoffer. Dit is wat een nomocratie in staat stelt om elk onrecht te beantwoorden met kracht die gelijk is aan zijn gewicht — klein voor het kleine, totaal voor het dodelijke, niets voor het onschadelijke — nooit blind, nooit onbegrensd.